Door: Mostafa Alahyarian

Marianne de Rooij is dit jaar als bestuursrechter met pensioen gegaan. Als magistraat heeft ze veel Wob-zaken onder de hamer gehad, reden om haar te vragen een tipje van de sluier over haar beroepspraktijk op te lichten. Ze begint met de opmerking dat de Wob maar een klein onderdeel van het bestuursrecht is, toch geldt ze als een ervaren Wob-rechter. De Rooij: “In dertig jaar tijd heb ik zo’n vijftig Wob-zaken gedaan. Het komt dus niet zo vaak voor, nu nog steeds niet.” Wob-zaken worden doorgaans met een enkelvoudige kamer gedaan – alleen als het om omvangrijke zaken gaat, worden meerdere rechters ingeschakeld.

Zoals te verwachten viel, hadden de aanwezige journalisten, onder wie enkele zeer ervaren wobbers, veel vragen voor de edelachtbare. Dat leverde een levendige discussie op, waar de frustraties van de ervaren wobbers duidelijk zichtbaar werden. Tussen alle antwoorden en riposten door voorzag De Rooij het journaille van diverse nuttige tips, waarbij ze meer dan eens de discussianten wees op de zwakke punten in hun aanpak.

“Rechters,” zo vertelde De Rooij, “zijn in de basis voorstander van de openbaarheid van informatie bij de overheid. Met die gedachte passen ze de wet toe in concrete situaties. Een Wob-verzoeker zie ik als een blinde die niet weet wat er in de papieren staat. Ik vind het zeer normaal dat je om informatie vraagt, juist omdat alles overheidsinformatie in Nederland openbaar is. Op enkele uitzonderingen na, natuurlijk. Het is wel monnikenwerk, vooral in omvangrijke zaken. Als rechter moet je het dossier met zwartgelakte stukken naast het oorspronkelijke dossier leggen en die aan de hand van weigergronden met elkaar vergelijken.”

Het is echter frustrerend, zo vond de zaal, dat die weigergronden vaak te ruim worden toegepast en dat rechters daar zelden doorheen prikken. De Rooij komt zelf met een voorbeeld: de Postcodeloterij wilde een evenement op het Museumplein in Amsterdam en diende daarbij ook een veiligheidsplan in, zoals dat verplicht is. Buurtbewoners waren tegen dat evenement en wilden die stukken inzien, maar dat mocht niet. Stel dat het veiligheidsplan bekend wordt, iemand daarin de zwakke punten ziet en die gebruikt om een aanslag te plegen: hoe moet een rechter omgaan dit tegenstrijdige belang van openbaarheid en veiligheid?

Op de vraag of er weleens via een achterdeur druk wordt uitgeoefend op rechters, antwoord De Rooij met een ferm: “Nee! Daarbij komt het verwijt van de ivoren toren ons eindelijk eens goed van pas: rechters laten zich nooit voorzeggen wat ze zouden moeten vinden.”

Toch vindt de zaal dat zaken bij de rechters te vaak in het voordeel van de overheid uitvallen. Journalisten moeten een zaak aanhangig maken en een eis motiveren, terwijl ze niet eens weten wat er allemaal staat of moet staan. De Rooij begrijpt dat je als ‘blinde’ geen zicht hebt op wat er zwartgelakt is, maar iedereen moet erop vertrouwen dat de rechter alle documenten te zien krijgt en zorgvuldig kijkt of de zwartgelakte stukken terecht geweigerd zijn. Als dat volgens de rechter niet zo is, dan zal hij bevelen tot openbaarmaking. “In die zin hoef je als journalist niet veel te doen qua motivering.”

Wat bij WOB-verzoeken zou helpen, is een aparte rechtbank met ervaring in Wob-zaken. Als ze meer met Wob-verzoeken te maken krijgen, worden ze steeds handiger in de beoordeling. De Rooij kaatst de bal: “De gemiddelde journalist ontbeert voldoende kennis van de Wob om het middel handig en effectief in te zetten.” Gronden niet aanvoeren, griffiegelden niet betalen en posten negeren, ze heeft het allemaal gezien. De Rooij: “Als je als eiser de weigergronden van de overheid niet tegenspreekt, dan staat de weigergrond van de overheid en verlies je de zaak. Als je het griffiegeld niet betaalt, wordt de zaak niet in behandeling genomen. Als je de termijn voor maar één dag te laten verlopen, dan hang je. En het heeft geen zin om dan aan te voeren dat de overheid ook alle termijn heeft overschreden. Als je beroep instelt, dan is het erg belangrijk dat je ook alles tegenspreekt. Als er drie weigergronden woerden genoemd, dan moet je die allemaal weerspreken. Als je één weigergrond onbetwist laat, dan zal de rechter dat zien als bevestiging. Dus betwist altijd alle weigergronden. En zet als disclaimer boven je brief: “Beste rechter, ik kan niet zien wat in het document staat, daarom kan ik ook niet goed argumenteren.”

Journalisten laten veel liggen in de zittingszaal, vindt De Rooij. “Onderschat je overtuigingskracht niet. Rechters moeten het algemeen belang afwegen, in de zittingszaal moeten we daar een concrete invulling aan geven. Benoem dus in je pleidooi dat het om algemeen belang gaat, over de democratie of de persvrijheid, en laat zien hoe dat daar het geval is. Dat neemt de rechter allemaal mee in zijn beslissing.”